Er was eens een heel mooi elfje dat Evelientje heette. Zij woonde eenzaam en alleen op een elfenbankje in een heel groot bos. Iedere dag vloog Evelientje naar het meer om zich te wassen. Daarna vloog zij wat rond op zoek naar eten. 's Middags zocht zij altijd een plekje op in de zon, strekte haar vleugeltjes uit en genoot van de warmte op haar lijfje. En 's avonds krulde ze zich op op haar elfenbankje en viel in slaap. Dan droomde ze van vriendjes en vriendinnetjes waarmee ze speelde op het zachte mos. Wat zou ze graag een speelkameraadje hebben.

Op een stralende ochtend zat Evelientje weer aan de rand van het meer. Terwijl ze zich waste, hoorde zij een vreemd geluid. “Wat zou dat zijn? “ Evelientje had dit nog nooit eerder gehoord. Toen ze opkeek zag zij aan de andere kant van het meer iets bewegen. Vlug verstopte Evelientje zich tussen de bomen. “Wat bewoog daar aan de overkant? “ Ze tuurde tussen de bladeren door. Even later was het figuurtje verdwenen. “Wat raar, “ dacht Evelientje. “Dit heb ik nog nooit eerder gezien.”

Natuurlijk ging Evelientje de volgende dag weer naar de rand van het meer om zich te wassen. Ook nu hoorde zij het vreemde geluid en zag zij aan de andere kant van het meer iets bewegen. Evelientje wilde zich net weer verstoppen toen het figuurtje aan de andere kant van het meer stil bleef staan en recht in het gezicht van Evelientje keek. Evelientje stond aan de grond genageld. Wat moest ze doen? Wegvliegen had nu geen zin meer. Het vreemde figuurtje had haar al gezien. Evelientje werd doodsbang. Wat als dit figuurtje naar haar toe kwam, wat dan? Maar ineens was het vreemde figuurtje weer verdwenen. Die nacht kon Evelientje niet goed slapen. Ze lag maar te draaien op haar elfenbankje. Ze moest steeds aan dat vreemde figuurtje denken. Bij het meer was Evelientje heel bang geweest, maar nu ze weer op haar elfenbankje lag, voelde ze diep van binnen dat ze helemaal niet bang hoefde te zijn. Ze zou morgen weer naar het meer gaan om te kijken of het figuurtje er ook was. De volgende morgen vloog Evelientje al vroeg naar het meer. Ze tuurde naar de overkant maar zag niks. Ze vond het eigenlijk een beetje jammer. Evelientje waste zich en wilde net weggaan, toen ze het geluid weer hoorde. Ja hoor, aan de overkant van het meer was het figuurtje weer verschenen. Evelientje werd er een beetje blij van, wat wel gek was, want ze wist helemaal niet wie het was.

Terwijl Evelientje naar het figuurtje keek, zag ze dat hij begon te zwaaien. Evelientje twijfelde geen moment en zwaaide vrolijk terug. “Wat leuk, “dacht ze, “nu heb ik een vriendje!”

Vanaf die dag ging Evelientje iedere dag naar het meer om naar het figuurtje aan de overkant te zwaaien. Ze werd er steeds heel blij van. “Wat fijn dat ik niet meer echt alleen ben!”