Elke dag vloog Evelientje naar het meer om te zwaaien naar haar nieuwe vriendje. Maar na een paar weken was dat al lang niet meer zo leuk als in het begin. Natuurlijk zwaaide Evelientje nog elke dag naar de overkant maar de rest van de dag was ze nog steeds alleen in het bos. Ze zou graag een keer naar het figuurtje toe vliegen, maar dan moest ze wel heel ver vliegen en dat durfde ze niet.

Op een avond lag Evelientje al vroeg op haar elfenbankje om te gaan slapen. Ze viel in een diepe slaap en begon te dromen over een hele lange reis. Ze vloog en vloog zonder te stoppen. Uren en uren lang vloog Evelientje in haar droom en ze werd daarna heel gelukkig en blij wakker. “Vandaag ga ik naar de overkant!” dacht ze meteen. Ze pakte haar enige bezit, een prachtige ketting met een kleurige steen, en verliet haar elfenbankje.

Toen Evelientje bij het meer aankwam, wachtte zij tot ze aan de overkant haar vriendje zag. “Ik kom eraan!” riep Evelientje. Maar het meer was zo groot en haar vriendje stond zo ver weg. Zou hij het horen? Evelientje raapte al haar moed bij elkaar en begon te vliegen. “Ik ga het halen!” dacht ze. “Ik moet het halen!” zei ze tegen zichzelf. Evelientje keek nog een keertje om , naar het bos waar ze tot nu toe altijd gewoond had. “Dag bos, ik ga naar de overkant!”

Evelientje was dapper aan haar vliegreis over het meer begonnen maar ze werd nu toch wel erg moe. Het meer was ontzettend groot en er was nergens een eilandje of een drijvend stukje hout waarop ze kon uitrusten. “Ik moet volhouden,straks ben ik bij mijn vriendje” sprak ze zichzelf moed in. En nu ze langzaam dichterbij kwam, zag ze ook steeds beter hoe haar vriendje eruit zag. Hij was bruin met een spits neusje en een dikke staart en hij stond rechtop naar Evelientje te kijken. Ineens begon hij blij te springen, steeds hoger en hoger. Hij had haar vast gezien! Daar werd Evelientje zo vrolijk van dat zij vergat hoe moe ze was en ze ging nog sneller vliegen. “Nog maar een klein stukje, “dacht ze. “Hou vol, je bent er bijna!”riep haar vriendje vanaf de oever van het meer. Nog 40 meter, nog 30 meter, nog 20 , nog 10........ Evelientje liet zich uitgeput op de grond vallen. Ze had het gehaald!

Haar vriendje kwam meteen op haar af rennen. “Je hebt het gehaald, wat goed! Gaat het wel met je? Zal ik even wat water halen?” Evelientje ging rechtop zitten en keek nieuwsgierig naar wie er voor haar zat. “Wie ben je?” vroeg ze hem. “Ik ben Otto de otter. En jij?” “Ik ben Evelientje,” zei Evelientje. “Ik ben een elfje.” Ze omhelsden elkaar en wisten dat ze samen vast nog vele avonturen zouden gaan beleven.