Toen Evelientje wat was uitgerust, vroeg Otto: “Ga je met me mee? Dan stel ik je aan mijn andere vrienden voor.” Dat wilde Evelientje wel. Tot nu toe had ze alleen maar over vriendjes gedroomd. Otto liep voor haar uit het bos in. Evelientje vloog achter hem aan maar stopte aan de rand van het bos. Ze keek om naar de andere kant van het meer, de kant waar ze al die tijd had gewoond. “Dag bos aan de andere kant, dag meer!”, riep ze heel hard. “Ik ben hier niet meer alleen. Ik wordt vast heel gelukkig hier!” Daarna vloog ze snel achter Otto aan.

Otto bracht Evelientje naar een open plek in het bos. Daar zag ze een groepje dieren verbaasd naar haar kijken. “Kijk”, zei Otto, “Dit zijn mijn vrienden. Dit hier is Harley de haas, dit is Knoef de eekhoorn en Susie de specht. “Hallo,” zei Harley. “Wat leuk dat je bij ons komt wonen.” zei Knoef. Susie zei niks maar tikte met haar snavel een aantal keer vrolijk in een boomschors. Evelientje vloog een rondje van blijdschap. Nu was ze niet meer alleen! Ze maakte een praatje met Otto, Harley, Knoef en Susie en voelde zich erg gelukkig.

Ineens hoorde Evelientje 2 onbekende stemmen. “Hee Plotter, waarom stel je ons niet even voor?” “Ja, wij weten ook graag wie er hier in het bos komt wonen.” Het waren twee kleine mannetjes met een grote puntmuts en een rood neusje en ze keken ondeugend uit hun oogjes. Otto liep mopperend op de mannetjes toe. “Ik ben een otter, geen plotter!”, riep hij uit. “Ja, ja, ja, ook goed, maar vertel ons nu maar eens wie deze mooie dame is!”

Evelientje vloog naar Otto en de mannetjes toe. Otto nam plechtig het woord: “Evelientje, dit zijn Boko en Laris, de twee kabouters uit ons bos. Blijf gerust een beetje bij ze uit de buurt want met hen weet je het maar nooit.” “Ha, stel je niet zo aan,”zei Boko. “Wij zijn twee geweldig aardige kabouters!” zei Laris, al zag Evelientje wel dat ze daar zelf ook een beetje om moesten lachen. “Het zijn vast twee deugnieten.” dacht Evelientje en voor de zekerheid vloog ze toch maar een eindje bij ze vandaan. De twee kaboutertjes haalden hun schouders op en kuierden weer weg tussen de bomen.

Even later zaten alle vriendjes bij elkaar in het gras. Otto, Harley, Knoef, Susie en natuurlijk Evelientje. Ze vertelde over haar leven aan de andere kant van de rivier. Daar was ze altijd alleen geweest en sliep ze op een elfenbankje in het bos. De dieren beloofden haar dat er in dit bos ook genoeg mooie elfenbankjes waren om op te slapen. Evelientje zuchtte en keek om zich heen. Wat was ze blij met zulke lieve nieuwe vriendjes!